Algemene maatregelen door SBK bij de uitvoering
|
Voor de aanpak van slootdempingen (verdacht dempingmateriaal en onvoldoende afdeklaag) is een standaard methode uitgewerkt. Dit is beschreven het ‘Bodembeheer Slootdempingen Krimpenerwaard’. Het volledige document kunt u hier downloaden in pdf-formaat.
Op grond van de resultaten van een uitgevoerd onderzoek is ervoor gekozen om voor alle typen verdacht dempingmateriaal uit te gaan van afdekking met een laag gebiedseigen grond van tenminste 0,4 meter. Het gaat hierbij om de einddikte na inklinking. Een dergelijke afdeklaag van ca. 0,4 meter is vanuit de landbouwkundige praktijk acceptabel. Met deze laagdikte worden landbouwkundige risico's, uitgaande van grasland met vee, voldoende weggenomen.
Provincie Zuid Holland heeft in een zogenaamde beleidsregel het bodembeheerplan vastgesteld. Deze beleidsregel is gepubliceerd in het provinciaal blad nr. 82 van 20 december 2006 en daarmee vastgesteld.
|
 |
Maatregelen |
Variant S1:
0,4 meter afdeklaag.
In deze variant bestaat de afdeklaag uit 0,4 meter gebiedseigen grond.
 |
| |
Variant S2:
kavelpad (al of niet op bestaand kavelpad):
Verharding in de vorm van een kavelpad over een demping voorkomt
contactmogelijkheden met het dempingsmateriaal, en voldoet daarom als afdeklaag.
|
| |
Variant S3: erfverharding
Verharding in de vorm van een erfverharding over een demping voorkomt
contactmogelijkheden met het dempingsmateriaal, en voldoet daarom als deklaag.
Hierbij gelden dezelfde eisen ten aanzien van de verhardingsmaterialen als bij een
kavelpad. Onder een erfverharding over een demping wordt in het BSK alleen de
verharding over de demping zelf bedoeld, dus niet de verharding buiten de contour van
de demping.
Ook in deze variant zijn, net als bij variant S2, de regels van het Bouwstoffenbesluit van
toepassing. Dit betekent dat er een fysieke scheiding aangebracht moet worden tussen
de op te brengen erfverharding en onderliggende demping (bijvoorbeeld wegendoek). |
| |
Variant S4: gebiedseigen bagger
Deze variant behelst een afdeklaag van 0,4 m met gebiedseigen bagger (einddikte na
rijping). Met deze maatregel worden de contactroutes met het dempingmateriaal
weggenomen, op dezelfde wijze als bij variant S1 (afdeklaag met een einddikte van 0,4
meter gebiedseigen grond). Op grond hiervan wordt deze maatregel ook als
standaardmaatregel beschouwd.
|
| |
Variant S5: verspuitbare grond
Deze variant betreft het vernatten en vervolgens verspuiten van gebiedseigen grond
naar een depot op een demping waarvan de afdeklaag onvoldoende is (A demping). |
| |
Afdichting kopse kant
Indien nodig zal bij de verschillende varianten van de standaardmaatregel, om
civieltechnische redenen, afdichting van de kopse kant van de demping plaatsvinden.
Dit kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van een beschoeiing of door afdichting met
een 0,3 meter dik kleipakket dat 1 m wordt doorgezet links en rechts van de kopse kant.
 |
| |
De Nazorg behelst de volgende standaardmaatregelen:
- controle op de dikte van de deklaag en zonodig aanvulling tot de vereiste dikte;
- controle van de kwaliteit van het talud (visueel, nalopen demping) en zonodig
aanvulling of herstel;
- controle op beschadigingen van de deklaag en eventuele fysieke
belemmeringen en zonodig aanvulling of herstel;
- controle op de kwaliteit van het kavelpaden en de erfverhardingen, waarbij gelet
wordt op beschadigingen die gevolgen hebben voor de functie als deklaag
(bijvoorbeeld diepe gaten, grote scheuren) en zonodig herstel;
- controle van de staat van de afdichting van de kopse kanten en zonodig herstel
hiervan;
- regelmatige controle van het gebruik van het perceel (veelal: veeteelt).
|
|
| |